Afbeelding: Bron Cobouw

Blog: Scholenbouw anno 2020

Marco van Zandwijk

Lage budgetten voor de onderwijshuisvesting zouden zorgen voor steeds meer mislukkende aanbestedingen was gisteren te lezen in Cobouw. Bouwers zouden 40-60 procent boven het plafondbedrag inschrijven. Scholenprojecten laten zij steeds vaker links liggen. Onlangs sprak ik met Ingrid Koenen van Cobouw over de ontstane situatie en een 'markt' die volledig dreigt stil te vallen. Moeten wij de vraagstukken rondom de onderwijshuisvesting niet anders gaan organiseren? Die vraag stel ik mij steeds vaker. Schoolbesturen en gemeenten die daar echt werk van willen maken geef ik alvast de volgende drie denkrichtingen mee:

Richting 1. Regie en organiserend vermogen (organisatievraagstuk)
pag1-aanbstedingsproblemen-illustratie-Cobouw_v2-e1522308819618-541x420_0.jpg De afgelopen jaren zijn er er vanuit de markt allerlei initiatieven opgetuigd om de problematiek in de scholenbouw aan te pakken. Daarin wordt veelvuldig gewezen naar de Rijksoverheid en de knellende budgetten. Maar voor de benodigde vervangingsopgave (Ruim 3.000 schoolgebouwen naderen het einde van hun levensduur) zal meer dan alleen ‘extra rijksmiddelen’ (zie recent nieuwsbericht van de VNG over advies verhoging normbedragen met 40%) nodig zijn. Ook is er dringend behoefte aan organiserend vermogen. Steeds meer partijen delen de overtuiging dat dit niet enkel aan de ‘markt’ overgelaten kan worden. Er zal ‘iets’ vanuit de vraagzijde - dus aan de zijde van de schoolbesturen en/of overheid-  georganiseerd moeten worden om er voor te zorgen dat er stappen gezet gaan worden met betrekking tot gebouwkwaliteit en verduurzaming. Dit ‘iets’ zal in staat moeten worden gesteld om zowel markt als vraag te mobiliseren in een met de sector en Rijksoverheid gewenste richting. Een functie met een duidelijke opdracht om te komen tot een betere besteding van middelen en waarbij gebruik gemaakt wordt van slimme innovaties die in de markt (reeds) beschikbaar zijn. Deze partij zou ook als vliegwiel kunnen fungeren voor het ingezet krijgen van financiële middelen die zo nodig zijn om onderwijsgebouwen te laten voldoen aan eigentijdse kwaliteitseisen. Daarbij is het ook van belang onderwijsgebouwen niet langer alleen te zien als kostenpost, maar ook als kans voor het geven van beter onderwijs.

Richting 2. Opgave zien in bredere context (kwaliteitsvraagstuk)
Er spelen momenteel meerdere vraagstukken die raken aan het vraagstuk van de gewenste kwaliteitsverbetering van de huisvesting in het Primair en Voortgezet Onderwijs. Denk aan vraagstukken in het sociale domein (kindcentra, jeugdhulp, groei- krimp) en de energietransitie (verduurzaming, energieprestatie, CO2 doelstellingen). Belangrijk is daarom dat er gezocht gaat worden naar een gezamenlijke oplossingsrichting vanuit een bredere maatschappelijke context. Wij zien bij gemeenten een enorm groeiende ambitie op beide terreinen. De verduurzamingsopgave kan m.i. dan ook niet los gezien worden van de huisvestingsopgave. Vraag is nu hoe deze vraagstukken vanuit één programma kunnen worden opgepakt. Dit op een manier die op de steun van de onderwijssector en gemeenten kan rekenen. Hoe mooi zou het zijn als alle partijen bereid zijn hier hun schouders onder te zetten?

Gezonde en Goede gebouwen hebben ook een maatschappelijke impact. Ze laten kinderen beter presteren en geven hen zelfvertrouwen en eigenwaarde mee.
 

Richting 3. Slimmer organiseren investeringen (investeringsvraagstuk)
Zonder een forse ingreep in het ‘stelsel’ en de verantwoordelijkheden die uit dat stelsel voortvloeien zal er vooral gekeken moeten worden naar het slimmer en anders organiseren van meerjarige investeringsbeslissingen. Een integrale benadering van het huisvestingsvraagstuk waarbij al in vroeg stadium de financierbaarheid wordt meegewogen. De roep om meer geld voor de Scholenbouw is daarbij niet nieuw. Wel is het voor mij duidelijk dat in de besluitvorming over het bouwen van een school nog steeds enkelzijdig wordt gedacht vanuit normeringen en (bouw)kosten. Dit terwijl de meeste kosten rondom de onderwijshuisvesting gelegen zijn in de exploitatiefase. Ook worden maatschappelijke opbrengsten (vrijwel) nooit meegenomen. De consequentie van deze manier van denken is dat dit automatisch zal blijven leiden tot een denkbeeldige vraag naar meer ‘eenmalig geld’ om te kunnen bouwen, zonder de vraag te stellen over ‘structureel geld’ dat nodig is gedurende de gehele levensduur. Voorbeelden uit de praktijk laten zien dat er inderdaad nog winst te halen is wanneer wordt afgestapt van de enkelzijdige bouwkostenbenadering. Door de beoogde levensduur van de huisvesting, als ook de maatschappelijke opbrengsten die het genereert, meer centraal te stellen, kan gewerkt worden aan een totaaloplossing. Een hogere aanvangsinvestering kan dan vanuit oogpunt duurzaamheid, gezondheid of betaalbaarheid te rechtvaardigen zijn als deze uiteindelijk tot hogere maatschappelijke opbrengsten en-of lagere levensduurkosten leidt. De recente oproep van de Bouwagenda om pensioenfondsen mee te laten investeren in de huisvestingsopgave van de Nederlandse scholen kan hierin ook worden meegenomen. Sinds 2007 zijn partijen al bezig om een dergelijk model met de onderwijssector en gemeenten te verkennen en te bekijken hoe dit voor de scholenbouw op te zetten is. Belangrijk is hierover het juiste gesprek te voeren met de sector zelf. Een stap die in de praktijk nog wel eens te gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.

Laten wij stoppen met de focus op bouwkosten. Stel de levensduur en sociale impact centraal.

 

30/03/2018 / Blog
Gerelateerd