Woordenboek verduurzaming onderwijs

Wie op reis gaat, heeft zo nu en dan een vertaling nodig. Veel begrippen, afkortingen en definities zullen voorbij komen. Voor een juiste vertaling hebben wij de veel gebruikte begrippen en afkortingen voorzien van een uniforme toelichting. Tenzij anders wordt afgesproken, is de volgende vertaling van toepassing.

 

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

Aansluitplicht aardgas

Vanaf 1 juli 2018 is de aansluitplicht voor aardgas van kleinverbruikers vervallen. Deze gebouwen worden in principe aardgasvrij gebouwd tenzij er een uitzonderingsgrond geldt. Voor grootverbruikers geldt een afwijkende regeling omdat de aansluitplicht daar niet van toepassing was en is.

Aardgasvrij

Een aardgasvrij gebouw betreft een gebouw welke geen aansluiting meer heeft op het aardgasnet. Voor verwarmen, koken en warm tapwater wordt een andere energiebron gebruikt zoals elektriciteit of een warmtenet waarbij de bedoeling is dat de vervangende energiebron zo duurzaam mogelijk is, bijvoorbeeld door gebruik van zonnepanelen of restwarmte.

Aardgasvrij ready

Een onderwijsgebouw dat aardgasvrij ready is, heeft voorzieningen getroffen waarmee in de toekomst van het aardgas afgegaan kan worden. Dit is bijvoorbeeld een optie als op termijn een warmtenet wordt aangelegd of de komst van een warmtenet nog onzeker is.

Aardwarmte (of geothermie)

Aardwarmte is thermische energie (warmte) uit de aarde. Er kan energie worden gewonnen door gebruik te maken van het temperatuurverschil tussen het aardoppervlak en diep in de aarde gelegen warmtereservoirs. Bruikbare aardwarmte zit op zeer grote diepte (vanaf 500 meter).

Afvalhiërarchie (Ladder van Lansink)

De afvalhiërarchie, ook wel bekend als de Ladder van Lansink, geeft een prioritering aan voor het omgaan met afvalstoffen. De ladder heeft bovenaan Preventie staan (het voorkomen van afvalstoffen) en onderaan Storten (het storten van afval op de vuilnisbelt). Daartussen staan verschillende andere stappen zoals recyclen, hergebruiken of repareren. Hoe hoger de stap op de ladder hoe beter (of minder vervuilend) de wijze van omgaan met het afval is.

Alternatieve energie

Alternatieve energie, ook wel duurzame of hernieuwbare energie genoemd, is een energievorm die gezien kan worden als alternatief voor de meer traditionele energiebronnen zoals aardgas of grijze stroom. Het zijn energiebronnen die ingezet kunnen worden om de energielevering te verduurzamen. Voorbeelden van alternatieve energiebronnen zijn zonnestroom (zonnepanelen), windenergie of waterkrachtcentrales.

Aquathermie

Aquathermie is de verzamelnaam voor de winning, opslag en distributie van warmte en/of koude uit riool-, afval-, drink- en oppervlaktewater.


B

BENG

De term BENG staat voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen en is de nieuwe energieprestatienorm voor gebouwen. Deze vervangt per 1 januari 2021 de oude Energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Het doel van de BENG-norm is dat, naast een optimale energieprestatie van het gebouw, ook gestuurd wordt op gebruik van duurzame energiebronnen en minder gebruik van fossiele energiebronnen. Een gebouw moet daarmee, zoals de naam zegt, Bijna Energie Neutraal zijn. Voor verschillende gebruikssoorten zoals onderwijs en zorg gelden verschillende BENG-eisen. De bijbehorende rekenmethodiek is vastgelegd in een norm voor Nederlandse Technische Afspraken, de NTA8800.

BENG overheidsgebouwen

Overheidsgebouwen hebben volgens de EPBD een voorbeeldfunctie en moeten daarom per 1 januari 2019 al aan de nieuwe eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) voldoen. Onderwijsgebouwen vallen niet onder deze verplichting tenzij de hoofdgebruiksfunctie een overheidsfunctie betreft (bijvoorbeeld een gemeentehuis met een school erin) of het gebouw volledig eigendom is van de overheid of gemeente (bij scholen dus niet alleen economisch maar ook juridisch eigenaar).

Biobased bouwen

Biobased bouwen is een manier van bouwen die op de natuur gebaseerd is. Toegepaste bouwmaterialen zijn dan vaak bouwmaterialen die in de natuur gegroeid zijn of vervaardigd zijn van natuurlijke materialen die aan specifieke biologische vereisten voldoen. Indien ook de gebruikte techniek gebaseerd is op de natuur praten we over biomimetica (biomimicry).

Biobrandstof

Een biobrandstof is een brandstof die gemaakt wordt vanuit biomassa. Deze brandstoffen worden als hernieuwbaar gezien en kunnen toegepast worden als duurzaam alternatief voor fossiele brandstoffen. Over in hoeverre biobrandstoffen daadwerkelijk duurzamer zijn kan wetenschappelijk gezien discussie bestaan.

Biodiversiteit

Biodiversiteit, ook wel biologische diversiteit, is een graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een bepaald ecosysteem. In de gebouwde omgeving kunnen we met biodiversiteit te maken krijgen omdat gebouwen en terreinen een bedreiging kunnen vormen voor de plaatselijke verscheidenheid aan levensvormen. De landelijke aanpak is erop gericht om in, op en om gebouwen en op terreinen weer voor meer biodiversiteit te zorgen. Dit kan bijvoorbeeld door de aanleg van bloemenveldjes, bos-/struikpercelen of andere natuurlijke elementen rond de school of de keuze voor een sedumdak. Ook insectenhotels en vogelhuisjes kunnen helpen meer biologische diversiteit in de omgeving van de school te creëren.

Biologisch

Biologisch betekent ‘volgens de natuur tot stand gekomen of geproduceerd’. De term biologisch in relatie tot duurzaamheid wordt vaak gebruikt om aan te geven dat het product, het goed of de dienst in harmonie met de natuur is. Zo is biologische landbouw een vorm van landbouw die nadrukkelijk rekening wil houden met milieueffecten en dierenwelzijn. Biologisch materiaalgebruik zien we bijvoorbeeld terug bij biobased materiaalgebruik (zie hierboven).

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit is een verzameling bouwtechnische voorschriften waaraan alle bouwwerken in Nederland, zoals woningen, kantoren, winkels etc. minimaal moeten voldoen. - Bruto vloeroppervlak Het aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak (m² BVO) is de totale oppervlakte van alle bouwlagen van een gebouw inclusief constructie, trapgaten, installatieruimten en buitenmuren.

Broeikaseffect

Dit is een effect waarbij warmtestraling vanaf de planeet wordt geabsorbeerd door atmosferische broeikasgassen en vervolgens worden uitgezonden in alle richtingen. In de praktijk resulteert dat erin dat het warmer wordt op aarde met alle gevolgen van dien. Bekende broeikasgassen zijn F-gassen die in koelkasten of airconditionings zitten of kooldioxide (CO2) wat een restproduct is bij verbranding van fossiele brandstoffen. Door minder broeikasgassen uit te stoten kunnen wij dus extra opwarming van de aarde tegengaan.

Bruto vloeroppervlak

Het aantal vierkante meter bruto vloeroppervlak (m² BVO) is de totale oppervlakte van alle bouwlagen van een gebouw inclusief constructie, trapgaten, installatieruimten en buitenmuren.

Budgetovereenkomst

Een overeenkomst, die invulling geeft aan het bepaalde in artikel 111 Wpo en artikel 109 Wec, ook wel doordecentralisatie genoemd.

Businesscase

Financieel haalbaarheidsonderzoek om aanvullende investeringen in verduurzaming en/of verbetering van het binnenklimaat te kunnen verantwoorden.


C

Circulair bouwen

Circulair bouwen draait om het slim gebruiken van grondstoffen, producten en goederen, zodat deze oneindig hergebruikt kunnen worden. Circulair bouwen kent een wettelijke verankering in het gesloten Grondstoffenakkoord in 2018. Circulair bouwen gaat over het meenemen van de impact van de milieubelasting naar de toekomst en/of restwaarde van het gebouw na zijn levensduur.

CO₂ neutraal/ CO₂ arm

CO₂ neutraal wil zeggen dat we CO₂-emissies zo veel als mogelijk willen voorkomen en compenseren. Het Klimaatakkoord is erop gericht dat de gebouwde omgeving in 2050 nagenoeg geen CO₂ meer uitstoot. Om een CO₂-neutraal gebouw te kunnen ontwikkelen, moeten producenten en leveranciers naar de toekomst toe exact kunnen aangeven hoeveel koolstofdioxide alle individuele stappen in het productieproces uitstoten.

CO₂-reductiepad

Het CO₂-reductiepad is het reductiedoel om tot een CO₂-arme gebouwvoorraad te komen in 2050, uitgedrukt in een grafiek. Hiermee kan een gemeente en/of schoolbestuur zien of zij op koers ligt voor de doelen zoals gesteld in het klimaatakkoord. In het CO₂-reductiepad kan ook het reductiepad vanuit de sectorale routekaart geprojecteerd worden, waardoor een schoolbestuur kan zien hoeveel haar koers afwijkt van die van de gehele sector en/of de gemeente inzicht krijgt in de lokale opgave.

Cradle-to-Cradle

De kern van het Cradle-to-Cradle principe ligt in het concept; afval is voedsel. Alle gebruikte materialen zouden na hun leven in het ene product, nuttig kunnen worden ingezet in een ander product. Hierbij zou geen kwaliteitsverlies mogen zijn en alle restproducten moeten hergebruikt kunnen worden of klimaatneutraal zijn. De kringloop van grondstoffen is dan compleet.


D

Duurzaamheid

Ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen (Brundtland  1987).

Duurzaamheidsprestatie Gebouw (DPG)

De duurzaamheidsprestatie gebouw, ook wel de DPG-index, geeft een cijfer aan de duurzaamheidsprestatie van een gebouw. De duurzaamheidsprestatie is onder andere opgebouwd uit de energieprestatie, milieu impact en circulariteit en geeft een indicatie over de totale duurzaamheid van het object en de impact die het object maakt op het milieu over een langere termijn.

Duurzaam Integraal huisvestingsplan (Duurzaam IHP)

Een IHP waarin naast de plannen voor een toekomstbestendige onderwijsinfrastructuur ook de verduurzamingsopgave van het gebouwbestand in beeld is gebracht. Dat wil zeggen inclusief duurzaamheidsmaatregelen en benodigde huisvestingsbudgetten om aan de klimaatdoelstellingen in 2030 en 2050 te gaan voldoen.

Duurzaam Meerjaren Onderhoudsplan (DMOP)

Een Duurzaam Meerjaren Onderhoudsplan voor het betreffende schoolgebouw, op te stellen in opdracht van het schoolbestuur. Het duurzaam meerjaren onderhoudsplan geeft aan in welke jaren welk gebouwitem op basis van de conditiemeting en duurzaamheidsprestatie aan vervanging toe is en wat de kosten zijn. Hiervoor dient verder als input het IHP waarin staat wanneer het gebouw aan de beurt is voor renovatie of nieuwbouw. Daarnaast is het handig hierbij rekening te houden met natuurlijke vervangingsmomenten. Op basis van die informatie kan de meerjarenbegroting voor onderhoudskosten gemaakt worden en kunnen reserveringen bepaald worden. Zodoende weet u zeker dat de keuzes die vooraf in het onderhoudsplan gemaakt worden, straks ook leiden tot een duurzame wijze van onderhoud plegen en een duurzamer gebouw.


E

Ecologie

De ecologie is een biologische vakwetenschap. De term ecologie wordt in relatie tot duurzaamheid vaak gebruikt als één van de drie P’s in de Triple-P aanpak waar ecologie en milieu samenvallen. Het gaat hier dan vooral om een aanpak die rekening houdt met de uitputtelijkheid van ecologische bronnen en bescherming van de ecologie tegen vervuiling. Ecologische producten of een ecologische aanpak houdt dus rekening met deze twee aspecten van verduurzaming.

Ecologische voetafdruk (footprint)

De ecologische voetafdruk betreft de milieu-impact die wij achterlaten op deze aarde. Het wordt vaak aangeduid door middel van een getal die aangeeft hoeveel biologisch productieve grond- en wateroppervlakte door een bepaalde bevolkingsgroep in een bepaald jaar is gebruikt om zijn consumptieniveau te kunnen handhaven en zijn afvalproductie te kunnen verwerken. Het gaat om een hypothetisch getal en deze wordt ook vaak gebruikt om de Earth Overshoot Day uit te rekenen, de dag in het jaar waarop we door ons ecologisch tegoed heen zijn. Bij de meeste moderne westerse landen dient deze dag zich al vroeg in het jaar aan.

Eindnorm

De eindnorm geeft de doelstelling aan voor de CO₂-reductie van bestaande gebouwen in 2050. Het betreft een doel van 95% CO₂-reductie van gebouw gebonden CO₂-emissie voortkomend uit energieverbruik. De eindnorm wordt vertaald naar een energieprestatie in kWh per m2 vloeroppervlak, is gebaseerd op de NTA8800 en gedifferentieerd naar gebouwcategorieën.

Energie-intensiteit en energie benchmark

Energie-intensiteit is een waarde van het totale energieverbruik teruggerekend naar kilowattuur per vierkante meter vloeroppervlak (kWh/m2). Deze waarde kan vervolgens vergeleken worden met die van andere scholen in een energie benchmark. Zodoende ziet een schoolbestuur snel of haar locatie het beter of slechter doet dan een andere school. De waarde kan vergeleken worden met scholen met een bepaald energielabel of uit een bepaald bouwjaar.

Energie onderzoek

Om de energieprestatie van een gebouw te weten te komen en welke energiebesparende maatregelen voor het gebouw mogelijk zijn, kan een energie onderzoek uitgevoerd worden. Er zijn eenvoudige energie onderzoeken (quickscans) die snel een algeheel beeld geven tot maatwerk onderzoeken (energie prestatie adviesrapport) die diepgaand inzicht in de energiehuishouding en energiebesparende maatregelen geven. Tussen de quickscan en het EPA onderzoek zit nog een energie onderzoek, ook wel vereenvoudigd EPA genoemd. Vaak wordt met de quickscan het laaghangend fruit in beeld gebracht (terugverdientijd 5 jaar of korter) met een energiescan de korte- en middellange termijn maatregelen (terugverdientijd 10 jaar of korter) en met een maatwerk onderzoek alle mogelijke maatregelen. Naast het energie onderzoek is het ook mogelijk het binnenmilieu gelijk mee te nemen in het onderzoek, een dergelijk onderzoek wordt een Energie en Binnenmilieu Advies (EBA) genoemd.

Energieverbruik

Het energieverbruik is het totaal van elektriciteit en gas dat daadwerkelijk verbruikt is. Het verbruik wordt gemeten met een energiemeter die in de meterkast zit. Deze energiemeter registreert dit verbruik in de meeste gevallen in eenheden van kWh (elektriciteit) en M³ (gas). Het gemiddelde energieverbruik van schoolgebouwen is sterk afhankelijk van het bouwjaar en de getroffen verduurzamingsmaatregelen bij eerder uitgevoerd onderhoud.

Energy Audit EED

De Energy-audit (EED) is een systematische vierjaarlijkse aanpak om informatie te verzamelen over het actuele energieverbruik en de besparingsmogelijkheden van een onderneming. De auditplicht geldt voor ondernemingen of instellingen met een economische activiteit met meer dan 250 fte personeel of een jaaromzet van meer dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal van meer dan € 43 miljoen. De meeste scholen in het PO en VO vallen niet onder deze verplichting.

Energy Service Company (ESCo)

Een Energy Service Company is een bedrijf of dienst die niet een specifiek product levert, maar het met het product te behalen doel. Zo levert een ESCo bijvoorbeeld warmte in plaats van een CV-ketel of licht in plaats van een Ledlamp. De producten blijven vaak in eigendom van de leverancier die daarmee ook een aandeel heeft in de te behalen kwaliteit en het energiebesparingsdoel ook tijdens de exploitatiefase.

ENG

Energieneutraal. Energieneutraal betekent dat de energievraag van het gebouw volledig met hernieuwbare bronnen (wind, zon, aardwarmte, aquathermie enz.) kan worden opgewekt. Een energieneutraal onderwijsgebouw pakt de problematiek bij de basis aan door de energievoorziening anders in te richten en de focus te leggen op de wijze waarop energie wordt geproduceerd, namelijk zonder CO₂ productie. Een uitgangspunt, bij het komen tot een energieneutraal gebouw, is dat de energie die gebruikt wordt niet perse op de eigen locatie opgewekt moet worden. Zo kan er bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een warmtenet. De Sectorale Routekaarten voor het funderend onderwijs hebben als uitgangspunt dat alle gebouwen in 2050 Energieneutraal dienen te zijn.

EPBDIII

De EPBDIII staat voor Energy Performance of Building Directive en is de overkoepelende Europese wetgeving van waaruit de Nederlandse wetgeving voor energieprestatie van gebouwen voortkomt. De EPBDIII volgt per 10 maart 2020 de voorgaande versie op en regelt naast de berekening van de energieprestatie en minimumeisen onder andere ook systeemeisen voor technische bouwsystemen, technische keuringen van verwarmings- en aircosystemen en laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer. Ook de regelgeving omtrent de energie certificering, het energielabel, is ook in de EPBD geregeld.

Erkende maatregelen

Dit betreft de Erkende maatregellijst voor energiebesparing vanuit de Informatieplicht Energie Besparing voor midden- en grootverbruikers (verbruik meer dan 25.000 m3 aardgas (of equivalenten) of 50.000 kWh elektriciteit). Dit is een lijst met maatregelen voor energiebesparing met bewezen aanpakken die zich binnen 5 jaar terugverdienen. Een schoolbestuur kan ervoor kiezen deze lijst toe te passen in zijn gebouwen en voldoet bij doorvoering van de maatregelen en rapportage in het e-Loket van RVO aan de energiebesparingsplicht.

Evaluatie BENG

De BENG-eisen worden in 2023 op kostenoptimalisatie getoetst en, indien nodig, worden in 2025 de BENG-eisen aangescherpt.


F

Fairtrade

Eerlijke handel of Fairtrade is een term die wordt gebruikt als beschrijving van handel die gericht is op duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden, met name bij export vanuit zulke landen naar rijkere westerse landen. Denk bij fairtrade onder andere aan eerlijke lonen voor boeren of productiemedewerkers die bij de productie betrokken zijn, een eerlijke prijs voor het product en een schone milieuvriendelijke werkwijze die de landbouwgronden beschermt. Er zijn diverse fairtrade-certificatiesystemen.

Fit-for-55

Het Fit-for-55 pakket is een pakket aan maatregelen waarmee de Europese Unie wil bereiken dat de CO2-emissie van EU landen in 2030 55% lager is ten opzichte van 1990. Deze aanpak is daarmee een Europese uitwerking van de klimaatafspraken die in 2016 bij de klimaattop in Parijs zijn gemaakt en gaan ook een stukje verder. Zo wordt er ook gekeken naar hervorming van belastingen, bijbehorende zaken zoals circulariteit en afval en verdergaande maatregelen voor emissiereductie.

Flankerende maatregelen

Als onderdeel van de SUVIS-regeling (een regeling van de rijksoverheid voor bekostiging van ventilatie op scholen) mogen ook flankerende maatregelen voor energiebesparing genomen worden en deze komen dan ook in aanmerking voor vergoeding vanuit deze regeling. Zie verder ook bij SUVIS-regeling.

Fossiele brandstoffen

Fossiele brandstoffen zijn koolwaterstofverbindingen die door het verval van fossiel materiaal in de aardbodem zijn ontstaan en die door nabewerking als brandstof toepasbaar zijn. Voorbeelden van fossiele brandstoffen zijn stookolie, aardgas en benzine. Fossiele brandstoffen leveren energie door middel van verbranding waarbij als meest belangrijk rest(afval)product kooldioxide (CO2) ontstaat. Dit restproduct is een belangrijk broeikasgas welke volgens wetenschappers tot opwarming van de aarde leidt.

Frisse scholen

Frisse scholen zijn scholen die op het gebied van het binnenmilieu en energieverbruik goed presteren. Om tot Frisse Scholen te komen is een Programma van Eisen (PvE) voor Frisse Scholen ontwikkeld waarin voor diverse categorieën zoals warmte, energieverbruik of luchtkwaliteit streefdoelen zijn bepaald. Deze zijn onderverdeeld in 3 ambitieniveaus van A (zeer goed) tot C (acceptabel).

FSC-keurmerk

FSC is de afkorting van Forest Stewardship Council die met het FSC keurmerk willen zorgen voor een eerlijker en meer verantwoord bosbeheer wereldwijd. Hout met dit keurmerk komt dus uit bossen die beter zijn beheerd en kan dan ook als duurzamer gezien worden.

Functioneel Netto Vloeroppervlak (FNO)

Het aantal m² FNO is de daadwerkelijk beschikbare ruimte voor de primaire processen na aftrek van de ruimte die nodig is voor de constructie, installaties (zoals toiletten), verkeersruimte, e.d.


G

Gebruiksoppervlak (GBO)

De gebruiksoppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten is de oppervlakte, gemeten op vloerniveau, binnen de buitenste of dragende muren die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen, inclusief binnenwanden (zowel dragend als niet-dragend). Er wordt gemeten langs de muur.

GPR-gebouw

De Gemeentelijke Praktijk Richtlijn (GPR) is een instrument waarmee de doelstellingen voor gezond, duurzaam en toekomstbestendig bouwen en beheren van gebouwen meetbaar gemaakt kunnen worden. Het instrument is zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw toepasbaar en kan ook gebruikt worden om het ambitieniveau te bepalen. GPR-gebouw geeft een score aan factoren zoals energieprestatie, milieu impact, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. De Duurzaamheidsprestatie (energie prestatie en milieu impact samen) maakt ook onderdeel uit van GPR-gebouw.

Greenwashing

Greenwashing is een methode die bedrijven of instellingen bewust of onbewust toe kunnen passen om hun producten, goederen of diensten duurzamer te presenteren dan dat deze eigenlijk zijn. Een bekend voorbeeld van greenwashing is een producent van benzine die vooral de natuurlijke afkomst van benzine benadrukt en daarnaast de milieu belastende effecten van deze brandstof niet benoemd. Ook de toepassing van bijvoorbeeld bamboe in servies is soms greenwashing omdat daar niet bij vermeld wordt dat er milieubelastende stoffen aan het product zijn toegevoegd om de bamboe te binden. Milieukeurmerken kunnen helpen duurzame en niet duurzame producten van elkaar te onderscheiden. Houdt er dan wel rekening mee dat sommige milieukeurmerken door de fabrikanten zelf in het leven kunnen zijn geroepen en dus soms ook een vorm van greenwashing kunnen zijn.


H

Huisvestingsvoorzieningen

(Een combinatie van) Nieuwbouw, uitbreiding, renovatie, verplaatsing en sanering (sloop) van de onderwijshuisvesting.

Hybride

Een hybride systeem is een systeem welke uit een samenvoeging van twee technieken bestaat. Zo werkt een hybride-ketel op zowel aardgas als ook elektriciteit en zorgt een hybride ventilatiesysteem voor zowel natuurlijke als ook mechanische ventilatie. Een hybride systeem probeert daarmee het ‘beste van twee werelden’ in zich te voegen en kan dan ook soms als overgangstechniek gezien worden vanuit de oude techniek naar een nieuwe. Hybride ventilatie maakt bijvoorbeeld gebruik van de natuurlijke trek van warme lucht en natuurlijke overdruk op de gevel om zodoende energiezuiniger te kunnen ventileren, maar schakelt wel over op mechanische ventilatie als de omstandigheden buiten niet optimaal zijn voor natuurlijke ventilatie.


I

IHP wetgeving

De gemeenten hebben de wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting voor het primair- en voortgezet (speciaal) onderwijs op basis van een verordening. In de verordening en het jaarlijks huisvestingsprogramma is geen meerjarig perspectief beoogd en daarvoor geldt het Integraal Huisvesting Plan (IHP). Het IHP is nog niet verplicht. Nieuwe wetgeving moet ervoor gaan zorgen dat het IHP beter verankerd wordt in wet- en regelgeving en alle gemeenten dit meerjarenplan voor minimaal 16 jaar moeten opstellen. Ook is beoogd dat renovatie een juridische status krijgt en als voorziening wordt geregeld. De exacte invoering van de nieuwe wetgeving is nog niet bekend, maar verwacht wordt dat dit in 2023 plaats gaat vinden.

Indexering bouwkosten

Jaarlijkse indexering van de bouwkosten conform de BDB Bouw(kosten)data.

Informatieplicht

De Informatieplicht voor Energiebesparing is toegevoegd aan de Energiebesparingsplicht voor midden- en grootverbruikers van energie. Deze wetgeving komt voort uit de Milieuwet (activiteitenbesluit milieubeheer) en regelt dat energieverbruikers die in één jaar vanaf 25.000 m3 aardgas (of equivalenten) of 50.000 kWh elektriciteit verbruiken alle energiebesparende maatregelen nemen die zich in 5 jaar terugverdienen bij de betreffende inrichting (locatie). De uitvoering van de energiebesparingsplicht dient vervolgens gerapporteerd te worden in het e-Loket van RVO.

Integraal huisvestingsplan (IHP)

Het door gemeente en schoolbesturen voor Primair, Voortgezet en Speciaal Onderwijs in gezamenlijkheid opgestelde plan rondom de huisvestingsopgave van het onderwijslandschap en de daarbij te hanteren uitgangspunten en te maken investeringsafspraken.

Integrale evaluatie

Bij de integrale evaluatie in 2025 wordt gekeken of de bestaande gebouwen op koers liggen om de streefdoelen en eindnormen te behalen (90% uitvoering vastgestelde routekaarten). Indien dit niet het geval is, kan alsnog besloten worden het streefdoel voor 2030 in overleg met de sectoren om te zetten in dwingende normering.

Investeringsschema

Het op het (Duurzaam) IHP gebaseerd overzicht van huisvestingsprojecten voor een aansluitende periode van vier jaren, zoals dit door partijen in een voortschrijdend schema van vier jaren wordt vastgesteld en dat binnen de lokale verordening en/of te maken vaststellingsovereenkomst wordt verankerd.

Isolatie

De definitie van isolatie is iets afscheiden van het andere. Bij verduurzaming hebben we het dan vaak over het afscheiden van binnen en buiten door middel van het gebruik van isolatiemateriaal. Isolatiemateriaal zorgt ervoor dat er minder uitwisseling plaatsvindt tussen de warmte van binnen en de koude van buiten, of andersom in de zomer. Ook kunnen we isolatie toepassen om ons te beschermen van ongewenst geluid, bijvoorbeeld door het toepassen van isolatiemateriaal rondom een ventilatiekast. Voor warmte-isolatie worden isolatiematerialen gebruikt die ieder een andere eigenschap en toepasbaarheid hebben. Bij isoleren is het belangrijk om te letten op de vochthuishouding omdat zomaar isolatie plaatsen ervoor kan zorgen dat vocht gaat condenseren en schade aan het gebouw kan veroorzaken. (Na)isoleren van een schoolgebouw vraagt dan ook om deskundig advies en uitvoering.


K

Klimaatadaptatie

Adaptatie aan klimaatverandering is het proces waardoor samenlevingen de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen of waardoor zij profiteren van de kansen die een veranderend klimaat biedt. Adaptatie kan autonoom zijn of gepland.

Klimaatadaptatief

Een gebouw of terrein is klimaatadaptief als het bestand is tegen veranderende klimatologische invloeden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het opvangen en langer vasthouden van regenwater. Ook het beter bestand maken van een gebouw aan hogere buitentemperaturen kan als klimaatadaptief gezien worden.

Klimaat- en Energieverkenning (KEV)

De Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2019 geeft een geactualiseerd beeld van de nationale broeikasgasuitstoot en het energiesysteem tot en met 2030. De KEV verschijnt jaarlijks conform de Klimaatwet uit 2019 en komt in de plaats van de eerdere Nationale Energieverkenningen (NEV).

Klimaatneutraal

Klimaatneutraal bouwen raakt duurzaamheid in de volle breedte en dekt alle onderwerpen als energiebesparing, CO₂ reductie, CO₂ compensatie en klimaatadaptatie binnen een bepaald gebied. Dit om niet langer een negatieve invloed uit te oefenen op het klimaat. We kijken daarbij dan niet alleen naar CO₂ maar naar alle broeikasgassen. Zo wordt ook gekeken naar de gassen methaan, lachgas en een aantal fluorverbindingen. Deze versterken namelijk het natuurlijk broeikaseffect. Echter komen deze begrippen op gemeentelijke schaal nagenoeg overeen, omdat de uitstoot CO₂ vele malen groter is dan de andere gassen.

Kwaliteitskader(s) onderwijshuisvesting

Het door de Stichting Kenniscentrum Ruimte voor Onderwijs en Kinderopvang (Ruimte-OK) in overleg met de PO-Raad, VO-raad en VNG uitgebrachte overzicht van architectonische, functionele en bouwtechnische kwaliteitscriteria voor schoolgebouwen in het primair- en voortgezet onderwijs: https://www.ruimte-ok.nl/thema/kwaliteitskader-huisvesting.


L

Levensduurbenadering / levensduurdenken

Bij een levensduurbenadering of levensduurdenken kijken we niet zozeer naar het moment van ontwikkeling, productie of oplevering van een bepaald product of dienst maar veel meer naar de gehele verbruiksduur. Het is een term die samenhangt met Total Cost of Ownership (TCO) waarbij niet zozeer naar de initiële investering wordt gekeken maar vooral naar de kosten over de gehele levensduur. Ook de kosten die voortkomen uit sloop en de afvaldruk die dat oplevert worden hierin vaak meegewogen. Deze manier van denken past bij de definitie van duurzame ontwikkeling waarbij we niet alleen naar het hier en nu kijken en de gevolgen voor onszelf, maar ook vooral naar later en de impact die ons handelen nu heeft op toekomstige generaties.

Lokaal (verantwoord ondernemen/inkopen)

Lokaal, of lokaal verantwoord ondernemen, houdt in dat we bij de productie en de aanschaf van producten, goederen of diensten rekening houden met de lokale omgeving waarin de afnemer zich bevindt. Hiermee kunnen logistieke aanvoerlijnen verkort worden wat resulteert in minder brandstofverbruik en een positief effect heeft op klimaat en milieu. Ook zorgt lokaal verantwoord ondernemen of inkopen ervoor dat lokale en kleinere partijen deel kunnen (blijven) nemen aan het maatschappelijk en economisch proces in een dorp, gemeente of stad en niet alle handel automatisch naar grote landelijke of internationale partijen gaat.

Luchtdicht bouwen

Een manier waarop koude een gebouw kan binnentrekken is door middel van openingen in gevels, kozijnen, daken en vloeren. Dit noemen we infiltratie. In moderne goed geventileerde gebouwen waarbij de ventilatie ook gebruik maakt van warmteterugwinning is infiltratie niet gewenst en willen we dus luchtdicht worden. Bij bestaande gebouwen is dit vrij moeilijk en daarom worden in de praktijk vaak alleen nieuwe gebouwen gelijk bij de bouw luchtdicht gemaakt. Luchtdicht bouwen kan een goede vorm van verduurzamen zijn, maar kan alleen plaatsvinden in combinatie met goede ventilatie, zeker op scholen. Het is daarnaast te adviseren om ook naar vormen van hybride ventileren te kijken waarbij gevel, vloer en dakroosters automatisch open kunnen lopen om natuurlijk te ventileren als de buitentemperatuur goed is.


M

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (ook wel duurzaam ondernemen of maatschappelijk ondernemen) is een vorm van ondernemen die gericht is op economische prestaties, met respect voor de sociale kant en binnen de ecologische randvoorwaarden. Ook wel bekend als de triple-P benadering.

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI)

Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (ook wel duurzaam inkopen) is de wijze waarop een inkoopproces ingericht kan worden waardoor er, naast aandacht voor prijs en kwaliteit, vooral ook aandacht is voor de sociale-, ecologische en klimatologische aspecten. Er zijn verschillende MVI-criteria zoals wegings- en gunningscriteria, hiermee bepaalt de inkopende partij aan welke duurzame criteria de leverancier en het product moeten voldoen.

Materiele Instandhouding (MI)

Het schoolbestuur ontvangt van de Rijksoverheid via de Lumpsum een Materiele Instandhouding (MI) vergoeding voor het beheer en onderhoud van de onderwijsgebouwen gedurende de exploitatiefase van het onderwijsgebouw. Deze vergoeding wordt jaarlijks in oktober vastgesteld door OCW op basis van het aantal leerlingen en is voor het (speciaal) primair onderwijs en voor het (voortgezet) speciaal onderwijs te vinden op: https://www.poraad.nl/ledenondersteuning/toolboxen/financien/materiele-….

Medegebruik en/of verhuur

Indien er sprake is van (ver)huur van een pand, bijvoorbeeld kinderopvang, is een gedeelte van de onderhoudskosten voor rekening van de verhuurder en een gedeelte voor rekening van de huurder. Over de verdeling van de onderhoudskosten dienen in het huurcontract duidelijke afspraken te worden gemaakt. In het algemeen kan worden gesteld dat de verhuurder verantwoordelijk is voor het in stand houden van de kwaliteit van het gebouw en de huurder verantwoordelijk is voor het dagelijkse onderhoud.

Meerjaren Onderhoudsplan (M(J)OP)

Meerjaren onderhoudsplan voor het betreffende schoolgebouw, op te stellen in opdracht van het schoolbestuur. Het meerjaren onderhoudsplan geeft aan in welke jaren welk gebouwitem op basis van de conditiemeting aan vervanging toe is en wat de kosten zijn. Op basis van die informatie kan de meerjarenbegroting voor onderhoudskosten gemaakt worden en kunnen reserveringen bepaald worden. Wij adviseren om in plaats van een standaard meerjaren onderhoudsplan nu te kiezen voor een DMOP, een duurzaam meerjaren onderhoudsplan. Zodoende weet u zeker dat de keuzes die vooraf in het onderhoudsplan gemaakt worden, straks ook leiden tot een duurzame wijze van onderhoud plegen en een duurzamer gebouw.

Milieu impact

De milieu impact van een gebouw (MPG-waarde) geeft een indicatie over de invloed die het object heeft op het milieu over een langere termijn. Om de milieu impact te kunnen bepalen, wordt gekeken naar de invloed die gebruikte materialen in het bouwproces hebben op het milieu. Hiervoor wordt het materialenpaspoort gebruikt. Circulariteit en renovatie hebben nog een beperkt aandeel in de MPG berekening, deze wordt op termijn aangepast. De MPG vereisten gelden vanuit het bouwbesluit voor kantoren en woningen en zal op termijn ook uitgebreid gaan worden naar andere gebruiksfuncties zoals onderwijs, zorg en sport.

Milieuprestatie Gebouwen (MPG)

De Milieu Prestatie Gebouwen, vaak genoemd als afkorting MPG, is een maatstaf voor duurzaamheid en circulariteit van een gebouw en de daarin gebruikte materialen. MPG wordt uitgedrukt in een waarde, en dit getal heeft aan hoe duurzaam het materiaalgebruik is. De MPG is opgenomen in het Bouwbesluit en is nu genormeerd voor de gebruiksfuncties wonen en kantoor. De verwachting is dat de MPG later ook genormeerd gaat worden voor de andere gebruiksfuncties zoals scholen en kinderopvang. De MPG waarde kan voor een gebouw uitgerekend worden door middel van daarvoor geschikte software zoals bijvoorbeeld GPR-gebouw of DuboCalc. Onder de MPG-waarde ligt een LCA-analyse (Life Cycle Analyse) die iets zegt over de milieubelastendheid van een bepaald materiaal tijdens zijn gehele levensduur. De onderliggende waarden worden vastgelegd in de Nationale Milieudatabase en producten kunnen een bepaald materialenpaspoort hebben.

Milieuwet

De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet in Nederland en bepaalt op welke manier het milieu in Nederland beschermd kan worden. De Wet milieubeheer zal in 2022 grotendeels opgaan in de Omgevingswet. Met deze wetgeving kan de rijksoverheid ervoor zorgen dat het milieu beschermd wordt bijvoorbeeld door het lozen van gevaarlijke stoffen in het milieu te beperken, milieuvriendelijk afvalbeheer voor te schrijven of emissies van gevaarlijke stoffen in de lucht tegen te gaan. Alle bedrijven, instellingen en personen in Nederland hebben op de één of andere manier te maken met deze wetgeving. Scholen hebben bijvoorbeeld te maken met het activiteitenbesluit die voortkomt uit deze wet en waarin is geregeld wanneer ze verplicht zijn om energie te besparen of hoeveel geluid ze ’s nachts mogen produceren op het schoolplein.


N

Natuurinclusief

Natuurinclusief bouwen houdt in dat we een gebouw of terrein zo maken dat deze rekening houdt met de natuurlijke omgeving en het mogelijk maakt dat flora en fauna kunnen leven in, om en op het gebouw. Denk daarbij aan een groen dak waar dieren en insecten op kunnen leven of nestelen, dakconstructies waar vogels onder kunnen nestelen, schoolpleinen waar dieren op kunnen leven enzovoorts.

Netto Vloeroppervlak (NVO)

Het aantal vierkante meter netto vloeroppervlak (m² NVO) is de totale oppervlakte van alle bouwlagen van een gebouw tussen de bouwmuren. Oppervlakte dat niet goed bruikbaar is, wordt niet meegerekend, bv. trapgat, liftschacht.

Normering Utiliteitsbouw

Vanuit het klimaatakkoord wordt er gestreefd naar een CO₂-arme gebouwde omgeving in 2050, om deze doelen te behalen wordt er een streefdoel voor 2030 gesteld (-/-49% CO₂-reductie t.o.v. 1990) en een eindnorm voor 2050 (-/- 95% CO₂-reductie t.o.v. 1990). Deze eindnorm wordt vertaald naar een herkenbaar getal voor de energieprestatie en wordt uitgedrukt in kWh/m2 vloeroppervlak. Deze eindnorm wordt ingevoerd op 1 januari 2021, sluit aan op de nieuwe bepalingsmethode energieprestatie gebouwen (NTA8800) en geldt voor de gehele gebouwde omgeving.

NTA8800

De Nationale Technische Aanwijzing NTA8800 is de rekenmethodiek voor het bepalen van de energieprestatie van een gebouw. De NTA8800 is zowel van toepassing op bestaande- als op nieuwbouw en vervangt de voorgaande rekenmethodiek zoals vastgelegd in de NEN7120, nader voorschrift en ISSO 75.3. De NTA8800 volgt de Europese normen en vervangt de EPC- en EI-indicatoren door de energiebehoefte per vierkante meter vloeroppervlak (kWh/m2).

Nulmeting

Inventarisatie in relevante gegevens per schoolgebouw welke inzicht verschaft in de kwaliteit van de onderwijshuisvestingsportefeuille binnen de gemeente. Een nulmeting vormt de basis voor de te maken keuzes en beslissingen over toekomstige investeringen in de schoolgebouwen.


O

Omgevingswet

De omgevingswet is een nieuwe Nederlandse wet die per 1 januari 2021 in zou moeten gaan en die een verregaande vereenvoudiging en bundeling van de huidige wetgeving voor beheer en ontwikkeling van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogd. Omdat de omgevingswet ook over natuur en milieu gaat, is het een instrument welke de overheid kan gebruiken om de maatschappelijke opgave vanuit het klimaatakkoord vorm te geven. De invoering van de wet per 1 januari 2021 is vooralsnog tot naderorder uitgesteld. Gemeenten en schoolbesturen krijgen voornamelijk bij de planvorming voor nieuwe schoolgebouwen met de omgevingswet te maken.

Onderwijshuisvestingsproject

Een in het Investeringsschema opgenomen investering in een onderwijslocatie, waarbij de omvang en periode van de door de gemeente beschikbaar te stellen vergoeding is bepaald en de te realiseren omvang en kwaliteit van onderwijshuisvesting is vastgelegd.

OOGO

Het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) tussen het College van Burgemeester en Wethouders en de schoolbesturen, waarbij een vertegenwoordigingsbevoegd persoon van elke partij aanwezig is.


P

Paris Proof

De term Paris Proof wordt soms gebruikt om aan te tonen dat de productie van een gebouw of een proces in lijn is met de klimaatafspraken die tijdens de Klimaattop van 2016 in Parijs zijn gemaakt. Deze klimaatafspraken zijn in Nederland vastgelegd in de klimaatwet en houden onder meer in dat de totale CO2-reductie die wij in Nederland willen bereiken in 2030 49% is en in 2050 95% ten opzichte van 1990. Het doel voor 2030 zal naar alle waarschijnlijkheid verhoogd gaan worden tot 55% vanuit het Europese Fit-for-55 pakket.

Passiefbouw

Passiefbouw houdt in dat een gebouw op zo’n manier gebouwd is dat het met zo min mogelijk techniek en (fossiele) energiebronnen toch een optimaal binnenklimaat kan behalen. Passiefbouw is een speciale manier van bouwen waarbij de gebouwschil optimaal geïsoleerd wordt en zoveel mogelijk warmte, door middel van de gevel, wordt gebruikt van de zon. Omdat het gebouw optimaal geïsoleerd is, moeten er speciale voorzieningen worden getroffen om zonder airconditioning te koelen bijvoorbeeld door warmte te laten ontsnappen via het dak en de zon op momenten dat die niet gewenst is van het pand weg te houden door middel van dakoverstekken of zonwering.

People, Planet, Profit (Triple-P of Drie P’s)

De term People, Planet, Profit (drie P’s) is een term die hoort bij duurzame ontwikkeling en wordt gebruikt om het belang van een harmonieuze samenhang tussen deze drie elementen weer te geven. People (mensen), Planet (ecologische omgeving) en Profit (de economie) moeten op harmonieuze en samenhangende wijze gecombineerd worden om te voorkomen dat grondstoffen uitgeput raken, het milieu vervuild wordt en toekomstige generaties niet meer in hun eigen behoeften kunnen voorzien. Er is een verschuiving zichtbaar van de Drie-P’s benadering naar de Planet First benadering waar de ecologische omgeving primair wordt gezien en People en Profit secundair en in die volgorde. People en Profit kunnen immers niet bestaan zonder Planet.

Prestatie-uitvraag

Een document waarin de doelen en gewenste resultaten voor de te realiseren huisvesting staan beschreven. De manier waarop die bereikt kunnen worden laat u aan marktpartijen voor ontwerp en bouw over. Een prestatie-uitvraag houdt rekening met de Total Cost of Ownership (TCO). In deze manier van werken laat u de traditionele rolverdeling los, en gaat u op zoek naar een partner die ervaring heeft met een (meer) prestatiegerichte manier van bouwen.


R

Renovatie of vernieuwbouw

Een grootschalige integrale aanpak van een bestaand onderwijsgebouw waardoor de levensduur van een schoolgebouw verlengd wordt met minimaal 25 jaar en weer voldoet aan de vigerende eisen van het Bouwbesluit en de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het IHP. De renovatie of vernieuwbouw is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. De instandhoudingsplicht van het schoolbestuur en de zorgplicht van de gemeente komen hier samen. Dat wil zeggen dat de activiteiten van groot, technisch en ingrijpend onderhoud als ook de vernieuwing waaronder verbetering van het binnenklimaat, functionele aanpassingen en verduurzaming van het gebouw in één plan worden gebundeld.


S

Sectorale routekaart

In de uitwerking van het klimaatakkoord is geregeld dat verschillende sectoren een eigen plan maken hoe zij de CO2-reductiedoelen gaan behalen. Hiervoor stellen zij een sectorale routekaart op. De sectorale routekaart voor het PO en VO wordt verwacht rond de zomer van 2020.

Split incentive

De splitsing van verantwoordelijkheden en middelen over gemeenten en bevoegde gezagsorganen. Door tegengestelde belangen bij investering versus exploitatie is dit een uitdaging voor gemeenten en schoolbesturen.

Streefdoel bestaande bouw

Het streefdoel voor 2030 geeft de doelstelling voor CO₂-reductie aan die voortkomt uit gebouw gebonden energieverbruik van bestaande bouw zoals gesteld in het klimaatakkoord. Het doel betreft 49% CO₂-reductie ten opzichte van het peiljaar 1990. Het betreft een streefdoel omdat beoogd wordt dat gebouweigenaren zelf het doel kunnen gaan behalen zonder dwingende normering.

SUVIS-regeling

De SUVIS-regeling staat voor de Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen. Door middel van deze regeling stelt de rijksoverheid geld beschikbaar voor verbetering van de ventilatie in scholen voor funderend onderwijs. De SUVIS-regeling is in 2021 ingevoerd en eind 2021 is aan de regeling een extra budget toegevoegd en is de regeling verlengd. Naast maatregelen voor ventilatie mogen vanuit deze regeling ook zogeheten flankerende maatregelen voor energiebesparing genomen worden. 

Sustainable Development Goals (SDG’s)

De Sustainable Development Goals, ook wel SDG’s genoemd, zijn 17 doelstellingen die in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgelegd als nieuwe mondiale duurzame ontwikkelingsdoelen en zo bijdragen aan mondiale duurzame ontwikkeling. De SDG’s vervangen de millenniumdoelstellingen en 193 landen ondersteunen deze doelen. De 17 hoofddoelen bestaan uit 169 subdoelen en moeten er onder andere voor zorgen dat armoede, ongelijkheid, uitbuiting, milieuvervuiling en negatieve klimaatgevolgen wereldwijd worden tegengaan. Ieder land werkt de doelen zelf uit in eigen nationaal beleid. Landen leggen verantwoording af over het bereik van deze doelen. Enkele voorbeelden van de SDG doelen zijn Geen Armoede (doel 1), Goede Gezondheid en Welzijn (doel 3) en Duurzame Steden en Gemeenten (doel 11).


T

Total Cost of Ownership (TCO)

Dit betekent dat een te nemen investeringsbeslissing wordt afgewogen op basis van de totale exploitatielasten van het gebouw over de gehele levensduur. Schoolbesturen kunnen daarmee, waar mogelijk, vanuit te halen voordelen in de exploitatie/groot onderhoud, op verantwoorde wijze financieel bijdragen aan investeringen.

Transitievisie Warmte

Gemeenten en lokale overheden spelen een belangrijke rol in het behalen van de klimaatafspraken van Parijs. Hiervoor moeten zij een Regionale Energiestrategie (RES) ontwikkelen en een Warmte Transitievisie en het wijkuitvoeringsplan. In de Warmte Transitievisie en het wijkplan staan voorstellen voor het duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken en geeft richting aan de aanpak. Vanuit de RES en de Warmte Transitievisie wordt vervolgens per wijk de wijkaanpak bepaald. De Transitievisie Warmte moet eind 2021 klaar zijn en de concept RES in juni 2020.

Trias-Energetica

De Trias-Energetica is een strategie die we kunnen toepassen bij het energiebesparen. Deze driestappenstrategie die in 1979 is ontwikkeld door de studiegroep stadsontwerp schrijft voor dat we bij energiebesparen (zowel in ontwerp als naderhand) werken volgens een bepaalde volgorde. Stap 1 is daarbij het beperken van het energieverbruik door verspilling tegen te gaan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het isoleren van een gebouw. Stap 2 is vervolgens ervoor te zorgen dat de energie die nodig is, wordt geleverd door duurzame energiebronnen en stap 3 zorgt ervoor dat de fossiele brandstoffen die we toch nog nodig hebben, zo min mogelijk (of efficiënt mogelijk) worden gebruikt.


U

Uitvoeringsovereenkomst

Een overeenkomst die de gemeente en het schoolbestuur aangaan voorafgaand aan de realisatie van een in het investeringsschema opgenomen onderwijshuisvestingsproject en waarbij de haalbaarheid, de aard en omvang van het project zijn vastgesteld en dat tevens een begroting van de kosten omvat, welke inzicht geeft in de bijdragen van gemeente en van het betrokken schoolbestuur in de kosten van de uitvoering.


V

Verordening

Vigerende gemeentelijke verordening voor voorzieningen voor de onderwijshuisvesting.

VNG-(advies)norm

Norm voor een indicatie van de bouwkosten die door de VNG jaarlijks geïndexeerd wordt. Met deze adviesnorm kan een gemeente zijn budgetten voor voorzieningen voor de onderwijshuisvesting per jaar vaststellen. Voor de VNG-norm voor nieuwbouw in het onderwijs, verwijzen wij naar: https://vng.nl/nieuws/indexering-normbedragen-onderwijshuisvesting.


W

Warmtepomp

Een warmtepomp is een apparaat waarmee warmte geproduceerd kan worden door deze te onttrekken uit de buitenlucht of de ondergrond. Aan een warmtepomp wordt energie toegevoegd maar produceert vervolgens meer energie in de vorm van warmte dan er aan word toegevoegd. In welke mate de warmtepomp dit doet bepaalt het rendement van de installatie. Warmtepompen kunnen op gas werken maar tegenwoordig kennen we de warmtepomp vooral van de toepassing in de gebouwde omgeving als vervanging van de CV-ketel. Ook kennen we de warmtepomp van de koelkast en airconditionings waar een vergelijkbaar systeem wordt toegepast, maar dan om koude te produceren. Doordat warmtepompen, zeker bij een bron onder de grond, een relatief hoog rendement hebben en meer warmte produceren dan de hoeveelheid energie die erin wordt gestopt, wordt deze techniek als duurzaam alternatief gezien voor meer traditionele wijzen van verwarming zoals ouderwets elektrisch of met een CV-ketel op aardgas. Warmtepompen hebben als nadeel dat ze het water minder heet kunnen verwarmen waardoor het beter is om warmtepompen alleen te gebruiken in combinatie met isolatie van de thermische schil.

Warmtenet

Een warmtenet is een soort cv-installatie in het groot. Ergens in de wijk is een centrale ‘ketel’ (een warmtebron). Met buizen gaat het warme water naar de diverse gebouwen. Via een warmtewisselaar kan deze warmte gebruikt worden voor verwarming en warm water. Het afgekoelde water gaat terug naar de ‘ketel’, die het weer opwarmt. In duurzame warmtenetten wordt aardwarmte of restwarmte gebruikt, bijvoorbeeld van een afvalcentrale of datacenter.

WEC

Wet op de expertisecentra. Deze Wet heeft betrekking op het Speciaal Onderwijs.

WPO

De Wet op het Primair Onderwijs.

WVO

De Wet op het Voortgezet Onderwijs.


Z

Zero waste

Zero waste producten zijn producten die geen of weinig afval veroorzaken. Deze producten bevatten geen schadelijke grondstoffen en zijn milieuvriendelijk en onder eerlijke omstandigheden geproduceerd. Zero waste kan ook als lifestyle gezien worden waarbij het doel is om vanuit de leefstijl zo weinig mogelijk afval voort te laten komen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het boodschappen doen waarbij je je eigen verpakkingsmateriaal meeneemt. 

Terug naar boven


Wijziging doorgeven?

Heeft u een begrip dat nog ontbreekt op deze lijst, of heeft u een voorstel voor een wijziging en/of aanvulling, dan kunt u dat doorgeven door een mail te sturen naar: info@ruimte-ok.nl. Alvast bedankt!

Verduurzaming
Huisvesting
IHP

Ons team staat klaar voor uw vragen

Heeft u een vraag naar aanleiding van een van onze kennisitems of programma's of heeft u niet gevonden wat u zocht? Neem dan gerust contact met ons op. 

Contact Opnemen