Valbeveiliging

Wat moet u verstaan onder 'valbeveiliging' en wie is verantwoordelijk voor het bekostigen van deze voorziening?

In 2001 is door het Europees Parlement een richtlijn voor de lidstaten opgesteld (2001/45/EG). Deze richtlijn gaat over het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte. Hieronder valt ook het gebruik van de ladder als werkplek. De EG heeft de lidstaten verplicht om deze richtlijn in hun wetgeving op te nemen. Verantwoordelijk voor het bekostigen van de voorziening is de opdrachtnemer.

Wet- en regelgeving

De richtlijn is in het Arbobesluit opgenomen en is verwerkt in hoofdstuk 7 van het Arbobesluit, getiteld Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden (artikel 7.23). Nederland heeft de richtlijn één op één overgenomen.

Inhoud richtlijn

Doel van de richtlijn is om het werken op hoogte veiliger te maken. Uitgangspunt van de Richtlijn werken op hoogte is onder meer dat de werkgever die voornemens is tijdelijke werkzaamheden op hoogte uit te voeren, daarvoor arbeidsmiddelen moet kiezen die voldoende bescherming bieden tegen de risico’s van het vallen van hoogte. In het algemeen bieden, om het vallen van hoogte te voorkomen, collectieve veiligheidsmaatregelen (zoals hekwerken en vangnetten) een betere bescherming dan persoonlijke veiligheidsmaatregelen (zoals vanggordels).

De keuze en het gebruik van, op iedere specifieke arbeidsplaats afgestemde, arbeidsmiddelen met het oog op het voorkomen en elimineren van risico’s kunnen waar dat passend is, vergezeld gaan van specifieke opleiding en aanvullend onderzoek. Uit een risicobeoordeling, die in Nederland wordt uitgevoerd door middel van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), moet blijken, mede met het oog op de uit te voeren taak, wat het meest geschikte arbeidsmiddel is in een bepaalde situatie. Als uit de afweging van risico’s blijkt dat het niet mogelijk is de werkzaamheden op hoogte vanaf een geschikte permanente werkvloer uit te voeren, dan zijn arbeidsmiddelen zoals ladders, steigers en lijnen (niet zijnde persoonlijke beschermingsmiddelen) de arbeidsmiddelen die gewoonlijk gebruikt worden voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Het toezicht op het naleven van het besluit geschiedt door de Arbeidsinspectie.

Verantwoordelijkheid

Het bedrijf dat door een schoolbestuur wordt ingeschakeld om werkzaamheden op hoogte te verrichten moet bepalen op welke wijze de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. De werkgever van degene die ‘op hoogte’ werkt, is verantwoordelijk voor het naleven van deze wetgeving. Het gebruik van de ladder is, gelet op art 3.16, lid 2 Arbobesluit niet uitgesloten. Ook het inzetten van een hoogwerker is een optie. De verantwoordelijkheid betreft ook het gebruik van een ladder van een andere werkgever of van een gebouwbeheerder. Bij overtreding zal de arbeidsinspectie de werkgever een bestuurlijke boete opleggen.

Positie schoolbestuur

Op het moment dat een schoolbestuur een derde inhuurt voor het uitvoeren van de werkzaamheden is het schoolbestuur niet verantwoordelijk voor het gebruik van de benodigde materialen. Deze verantwoordelijkheid ligt wel bij het schoolbestuur als het schoolbestuur een eigen personeelslid op hoogte laat werken, dan functioneert het schoolbestuur als werkgever.

Schoolbesturen krijgen voor schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden via de lumpsum-bekostiging een vergoeding van het Rijk. Dit betekent dat de kosten voor het werken op hoogte voor rekening komen voor het schoolbestuur.

Positie gemeente

Het van kracht worden van de nieuwe richtlijn betekent niet dat er een afzonderlijke voorziening moet worden aangebracht door het schoolbestuur in relatie met een voorziening in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving zoals bedoeld in artikel 2 , sub b van de (model-) verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Het is de keuze van de werkgever om te bepalen op welke wijze de werkzaamheden op hoogte veilig kunnen worden uitgevoerd.

De uitvoering van het bekostigen van voorziening huisvesting onderwijs, waarbij op hoogte moet worden gewerkt, zoals bijvoorbeeld nieuwbouw, uitbreiding of onderhoud, kan leiden tot een kostenverhogende factor. Op het moment dat voorzieningen op basis van normbedragen worden betaald maken deze kosten onderdeel uit van het normbedrag. Bij voorzieningen die op basis van werkelijke kosten worden vergoed, zullen deze kosten door middel van een raming / offerte inzichtelijk moeten worden gemaakt.

Bovenstaande laat onverlet dat hierover tussen gemeente en schoolbesturen op lokaal niveau andere afspraken kunnen worden gemaakt.

Bron: VNG (2012)

Gerelateerd